Het is vakantie. Eindelijk mogen Aaltje en Geurtje bij opa Willem
logeren!
‘Waar slapen we, opa?’ Geurtje kijkt zoekend rond in de boerderij
van opa Willem. Ze heeft hun logeerbedden nog niet kunnen
ontdekken.
‘Tja, dat is nou ook wat,’ zegt opa. ‘Ik heb hier binnen eigenlijk
geen goede slaapplek voor jullie. Brengen jullie je rugzakken maar
naar buiten.’
Aaltje en Geurtje kijken elkaar aan. Moeten ze buiten slapen?
Het is nog best koud ’s nachts!
‘Kom maar!’ roept opa terwijl hij de tuin in loopt.
Hij wijst naar de oude eik die midden op het grasveld staat.
‘Hier zijn jullie bedden.’
Verbaasd kijken de meisjes naar de boom. Dan zien ze het.
Een boomhut! Opa heeft een boomhut gemaakt!
Ze laten allebei hun rugzak vallen en rennen naar de boom.
‘Ik eerst!’ roept Aaltje, maar Geurtje is sneller.
Achter elkaar aan klimmen ze het houten trapje op naar de boomhut.
Tussen de takken van de boom heeft opa een prachtig huis gebouwd.
Het heeft een echte deur en een bel, rood met wit gestippelde gordijntjes
voor het raam en twee bedden.
‘Vet cool, opa!’ gillen de meisjes naar beneden.
Opa lacht: ‘Of willen jullie liever ergens anders slapen?’
‘Neeeee…!’ roepen ze terug.
‘Mogen we hier ècht slapen?’ vraagt Geurtje nog eens aan opa.
Ze kan het bijna niet geloven. Een bed tussen de takken van de boom:
een ècht hemelbed!
Midden in de nacht wordt Geurtje wakker.
Eerst weet ze niet waar ze is, maar dan herinnert ze zich het weer.
De boomhut! Tevreden kijkt ze rond. Aaltje ligt nog heel diep te slapen.
‘Grrr, knor, grrr, knor…’ Geurtje giechelt. Wat kan die Aaltje
snurken zeg!
Ze schuift de gordijntjes voor het raampje bij haar bed opzij en kijkt
nieuwsgierig naar buiten. De maan gluurt tussen de takken door recht
de boomhut in. De bladeren van de boom bewegen zachtjes in de
wind. Ze ruikt de vochtige bosgrond.
Opeens hoort ze een geluid. Het lijkt wel of er iets in het gras onder de
boom loopt. Geurtje kijkt door het raampje naar beneden. Ze tuurt
ingespannen of ze iets ziet. Het is nevelig, mistslierten hangen tussen de
bomen. Dan ziet ze iets. Een kleine witte vlek beweegt zich langzaam
over de grond. Geurtjes hart begint te bonzen.
‘Aaltje,’ _uistert ze. ‘Aaltje, word eens wakker.’ Ze schudt haar zus aan
haar arm. ‘Word nou wakker, er is iets buiten…’
Aaltje komt langzaam overeind.
‘Wat... Wat is er?’ Slaperig kijkt ze
Geurtje aan.
‘Kijk,’ zegt Geurtje. Ze trekt haar
naar het raam.
‘Een… een...’ Speurend kijkt ze rond.
Ze ziet alleen nog maar bomen
en gras.
Aaltje kijkt Geurtje boos aan:
‘Er is helemaal niks, stommerd, ga toch
slapen.’ Ze draait zich om en trekt de
dekens over haar hoofd.
Geurtje blijft nog een poosje door het
raampje kijken, maar er is niets
bijzonders meer te zien. Ik zal het wel
gedroomd hebben, denkt ze bij zichzelf.
Dan kruipt ze weer diep onder de warme
dekens: haar hemelbed heeft ze in ieder
geval niet gedroomd!